Overzicht portfolio

overige projecten | Vergeten Stad

>
>
Saskia de Wit, Vergeten Stad, Saskia de Wit, Vergeten Stad, Saskia de Wit, Vergeten Stad, Saskia de Wit, Vergeten Stad, Saskia de Wit, Vergeten Stad, Saskia de Wit, Vergeten Stad,

In opdracht van: Orthea c.v.
In samenwerking met: Daniƫlle Huls, Sebastiaan Kaal
Ontwerp: 2010

Aanleiding

De Vergeten Stad is een ruimtelijke voorstel voor de vormgeving van de openlucht theaterproductie ‘De Vergeten Stad’. 

Concept

Wie naar de theatervoorstelling over de Vergeten Stad gaat, wordt geleidelijk meegenomen in een wereld die niet meer bestaat, of misschien nooit heeft bestaan. Via een opeenvolgende reeks van verschillende gebieden laat hij het dagelijks leven achter zich. Van het Parkeerland door de houtwal, naar de Velden met het maislabyrint, het Galgenveld en de Herberg met moestuin. De stadsmuur, een ‘mockup’ van de horizon van de stad die er nooit echt zal komen, omsluit de tijdelijke stad met cafés, restaurants en tableaus vivants van schimmen en zonderlingen die leiden naar de trappen, de tribune en het podium.

Parkeerland

De belevenis begint al bij het parkeren, zomaar in het gras. Vanaf het parkeerveld wordt je blik getrokken door het stadssilhouet, met daarboven een enorme goudgele maan, maar het landschap ertussen ligt verstopt achter een dichte houtwal van gevlochten wilgen.  Pas als je door de poorten in de houtwal heenloopt worden de velden zichtbaar. De wilgentenen lopen uit, zodat je door een levende wand loopt. De houtwal is begroeid met hop (landbouwgewas en ingrediënt voor bier), waarvan de sterk geurende hopbellen de geur van de auto en de snelweg in één keer doen vergeten. Bij de poorten kunnen de kaartjes voor de voorstelling worden gekocht. 

Velden

Vlak buiten de muren van de stad bestonden van oudsher overgangsgebieden met aan de stad gerelateerde functies:  moestuinen, lust- en speeltuinen, herbergen , kolfbanen, het galgenveld… Wanneer de bezoekers door de houtwal komen betreden ze dit gebied van tuinen, ingebed in een mozaïek van korenvelden en brede grasbanen. Hier kan men ontspannen wandelen, terugschakelen naar het langzame  tempo van de Middeleeuwen, en zich vermaken in de lust- en speeltuinen. De velden bestaan uit gewassen, die verwijzen naar een lang verdwenen cultuur gebaseerd op landbouw. Deze gewassen groeien bovendien binnen een seizoen tot soms wel meters hoog,  zodat in korte tijd een rijk patchwork van grondgebruik bestaat, dat er altijd lijkt te zijn geweest. Tussen de korenvelden zijn verschillende vormen van vermaak opgenomen, zoals een maïslabyrint, een feestterrein met een meiboom waar de overwinning van de zomer op de winter en de groeikracht van de natuur wordt gevierd, een kinderboerderij, een doolhof van strobalen. De brede grasbanen vormen lanen tussen het parkeerveld en de stad, met één baan van grote platen voor rolstoelen en kinderwagens.

Moestuin

Wie over de centrale grasbaan recht op de stadspoort afloopt, komt midden in de velden een scheefgezakte herberg tegen. Voor de herberg ligt een moestuin, met rijen snijbiet, stokbonen en boerenkool, die de herbergier kan oogsten en voorzetten aan de gasten. De herberg ligt zelf ook in een moestuin, gevuld met reuzenplanten. Tussen de rijen planten ontstaan beschutte plekken met  lange houten tafels met banken of stoelen, zitkuilen en kleurige picknickkleedjes. De tuin is omheind meteen ratjetoe van schapenhekken, wilgenvlechtwerken, palissadewanden, alsof het in eeuwen tijd zo is gegroeid. Een weelde aan bloeiende en geurende klimplanten tuimelt over de hekken heen. De hekken zijn hoog, maar net laag genoeg zodat je eroverheen kunt gluren als je buiten langs loopt en verleid wordt door het eten op de borden van de herberggasten. Aan de kant van de picknickweide is een laag hek, zodat je vanaf je picknickkleedje een weids uitzicht hebt over de velden, en over de kinderen die in het stro spelen.  

Stad

Het silhouet dat al van verre te zien was, blijkt van dichtbij een bordkartonnen coulisse als van een toneelstuk te zijn; de bezoeker realiseert zich dat hij voor de gek is gehouden. Vlak achter de coulisse hangt een enorme goudgele heliumballon zachtjes te deinen, aangelicht door een sterke spot.  Wanneer je door de coulisse heen stapt, kom je in een andere wereld. Een wereld van klatergoud, niets is er echt. Het leven speelt zich af op straat. De bebouwing  is een platte koek, zonder daken en zonder binnenkant.  Het grillige patroon van steegjes en pleintjes lijkt er in te zijn uitgesneden. De huizen van de stad zijn gebouwd van steigerbuizen waar omheen doeken zijn gespannen. De doeken zijn voorzien van prints van straat- en pleingevels van middeleeuwse dorpen en stadjes. Door de doeken aan de achterzijde aan te lichten wordt met schaduwspelen een magische sfeer gecreëerd. Je wordt nieuwsgierig wat er zich in de niet-bestaande binnenwereld afspeelt, want achter de ramen en in de deuropeningen zitten vreemde figuren: narren en zotten, pestdokters met hun gesnavelde maskers, jonkvrouwen met goudgele vlechten, ridders en rovers, druk bezig met hun dagelijkse beslommeringen, een tableau vivant. De steegjes worden breder en weer smaller, soms is het een verrassing wat er zich achter de volgende hoek bevindt, soms biedt een poort een ingekaderd uitzicht op een pleintje. Lampionnen, slingers of bloempotten hangen als een ‘hemel’ boven de straten en pleintjes. 

Trappen en tribunes

 

Centraal in de stad leidt een monumentale trap, die als een waterval  naar beneden kolkt, met verwijdingen en vernauwing, balkons en nissen, de bezoekers naar een weids uitzichtterras. De meer onderzoekende bezoekers bereiken het terras via één van de wenteltrappen door de steigerconstructie van de tribunes, of via een trappenhuis in de toren. De trappen sluiten aan op het grillige stedelijke weefsel met zijn vele pleintjes en steegjes. Op het terras kunnen de bezoekers  terug kijken over de stad en de velden, en vooruit over de zich langzaam vullende tribune en het wachtende decor. Vanaf het terras kunnen ze afdalen en een plekje zoeken op de tribunes. De tribunes zijn verschoven ten opzichte van elkaar, zodat ze elk naar het toneel kijken en ertussen verschillende wigvormige passtukken ontstaan. Een dichte constructie van steigerbuizen ondersteunt de tribune en de wigvormige ruimtes ertussen. Tussen de constructie door meandert een grillig stelsel van gangen en zalen. Via nissen aan weerszijden van de hoofdtrap kunnen de bezoekers deze labyrintische onderwereld betreden, en daar ronddwalen tot ze er aan de voorkant, onderaan de tribunes weer uitkomen. De zalen aan de buitenzijden worden gebruikt door de acteurs en de crew. Een tussenverdieping is het domein van de stadsomroepers en potsenmakers, die vanaf balkons tussen de tribunes in het publiek vermaken tijdens het wachten op het begin van de voorstelling.

Dan kan de voorstelling beginnen...